Pety de Vries

Het ontstaan van de IVAP

een persoonlijke impressie

Graag voldoe ik aan het verzoek van de voorzitter van onze vereniging, Inger van Lamoen, om iets te vertellen over het begin van onze vereniging. Terugkijkend op zo'n twintig, dertig jaar is het eigenlijk een verhaal over de 'vereniging' van Oost en West: over initiatieven in het Oosten van ons land (Leo Giessen, Paul Revis), en die in het Westen (Lolke Pepplinkhuizen en ikzelf). Helaas kan een van de oprichters van het eerste uur, Leo, niet meer zijn kant van het verhaal vertellen. Het wordt dus noodgedwongen een wat eenzijdig verslag, bovendien nog opgetekend uit het geheugen (het archief van de IVAP is destijds uiteraard overgedragen aan onze opvolgers) en een paar aantekeningen in privé-agenda's.

Voor mij persoonlijk ligt de kiem van wat later de IVAP zou worden al zo'n dertig jaar terug: begin jaren zeventig. Ik was al een paar jaar geïnteresseerd in het werk van Jung, en las en herlas wat ik maar te pakken kon krijgen. Psychologie und Alchemie was in onze Rotterdamse bibliotheek echter niet beschikbaar. Gelukkig hoorde ik via een gemeenschappelijke kennis dat er in het Academisch Ziekenhuis Dijkzigt een arts-assistent psychiatrie was komen werken, die geïnteresseerd was in Jung: Lolke Pepplinkhuizen. Hij bleek de bezitter te zijn van het zo moeilijk te vinden werk, en ik heb het geloof ik zo lang gehouden dat hij zich ging afvragen of hij het ooit nog terugkreeg. Ik had een excuus: bij eerste lezing begreep ik het nauwelijks, maar wat wel ik kon vatten fascineerde me zozeer, dat ik elke passage een keer of drie overlas. Ruim tien jaar later, toen ik het boek ging vertalen, bleek dat een nuttige exercitie te zijn geweest. Het volgende bo ek waar ik al tijden naar op zoek was, Antwort auf Hiob, had Lolke helaas niet. De Gemeentebibliotheek ging vervolgens de Gesammelte Werke aanschaffen, mijn man en ik verhuisden met onze twee jonge kinderen naar een kleine plaats ver buiten de stad, kortom: na teruggave van Psychologie und Alchemie verwaterde het eerste veelbelovende contact met degene die later jarenlang de voorzitter van de IVAP zou zijn.

De liefde voor Jung hield echter stand, en die won het ook van andere interesses. Lesgeven ( ik was een tijdlang lerares Nederlands geweest) zat er voorlopig niet meer in, maar wel had ik mijn afgebroken studie economie weer opgepakt. Lip's Wiskunde voor economen moest echter concurreren met de zojuist verschenen Briefe van Jung. Jung won, vanzelfsprekend, en dat resulteerde uiteindelijk in '75 in een artikel in NRC Handelsblad over Jung en Albert Schweitzer – zij waren beiden in 1875 geboren.

Dat artikel heeft nogal wat gevolgen gehad voor mijn verdere levensloop. De volgende dag belde uitgeverij Lemniscaat, die zojuist de vertaalrechten van het werk van Jung had verworven. Kort daarop werd ik voor hen redacteur/vertaler voor Jungs werk. Het NRC-artikel bleek ook een goede introductie voor een verdere journalistieke loopbaan, en deze twee sporen zouden de komende vijftien jaar een belangrijk deel van mijn leven bepalen.

Lolke Pepplinkhuizen bleek – zo hoorde ik van de gezamenlijke kennis – overigens nog steeds geïnteresseerd in Jung: zo publiceerde hij samen met Hans de Smit, een neerlandicus, een artikel over Vestdijks De redding van Fré Bolderhey, bezien vanuit de analytische psychologie. Dus toen ik begint jaren tachtig het gevoel kreeg dat de tijd rijp werd voor een studieclub voor het werk van Jung, zocht ik hem weer eens op. Hij stelde meteen voor een vereniging te beginnen, kende ook wel een paar mensen die daar belangstelling voor hadden, maar het enige punt was: konden wij het nog een jaartje of wat uitstellen, want hij was zijn onderzoek voor zijn proefschrift aan het afronden, en had daar, naast zijn werk als inmiddels chef de clinique bij de afdeling psychiatrie van Dijkzigt, zijn handen vol aan. In de tussentijd konden we dan nog wat meer mensen bij elkaar zoeken, een eerste opzet uitwerken, en dan zouden we zo in '83 van start kunnen g aan, en de club zo mogelijk geleidelijk aan uitbreiden. Dat gebeurde dus. We kregen onder meer contact met Joop van Birgelen, George van der Hooft, Gilles Quispel, en niet te vergeten Fred Backus die toen zojuist wetenschapredacteur bij de NRC was geworden, en die bij de oprichting voor een belangrijk aandeel in de publiciteit zorgde.

In die tijd, zo eind jaren zeventig, begin tachtig, hield ik regelmatig lezingen in het land over Jung. Eigenlijk vond ik dat maar een vreselijk gedoe: met de trein naar allerlei hoeken van het land, 's avonds laat weer in je eentje terug, en bovendien: ik schrijf liever dan ik spreek. Maar je had het over voor de goede zaak. En het loonde ook, want tijdens een paar lezingen die ik in het Nijmeegse Fortmann centrum hield, in '81, maakte ik kennis met Paul Revis en met Leo Giessen. Een deel van de treinreis terug reisde ik samen met Leo. Hij vertelde me dat hij zojuist een oproep had geplaatst in De Psycholoog, om een Jung-kring te beginnen. Dat bracht de zaak in een stroomversnelling. Lolke en ik vonden deze kans te mooi om voorbij te laten gaan: ons oorspronkelijke plan om rustig en gedegen van start te gaan pas na zijn promotie zetten we opzij, en samen met Leo en ons clubje 'westerlingen' werkten we een nad er plan uit, waarin de grondslagen van de IVAP werden neergelegd. Hans de Smit was destijds directeur van een school in Rotterdam, die had wel een zaaltje beschikbaar, Fred Backus plaatste een berichtje in zijn krant, en wij stuurden geïnteresseerden een briefje met – aldus mijn agenda uit '82 - de volgende tekst:

'12 maart a.s. ['83] houdt de Interdisciplinaire Vereniging voor Analytische Psychologie (Jung) haar oprichtingsvergadering in Rotterdam. Inleiders zijn o.a. prof. dr. C. Dessaur en prof. dr. G. Quispel (…)'

Het was meteen een succes. Het zaaltje zat overvol, er werd een voorlopig bestuur samengesteld, met Leo als voorzitter, Lolke als vice-voorzitter, ikzelf als secretaris, Joop van Birgelen en Hans de Smit als leden, en nog iemand van wie ik de naam ben vergeten als penningmeester. Die laatste werd na flink wat getob, waarbij Lolke ook nog maar een tijdlang de post van penningmeester op zich nam, vervangen door Henk Teunissen, een econoom, die bovendien veel creatieve ideeën bleek te hebben voor de invulling van congressen en studiedagen. We hadden meteen al ruim honderd leden. Daaronder herkenden we een paar illustere namen van mensen die kort na de oorlog ook een, inmiddels slapende, Jung-vereniging bleken te hebben opgericht, zoals prof. Carp en prof. Westhoff. Het eerste werkweekend dat we in Oud-Leusden organiseerden, was inspirerend. Het was ook daar dat wij kennismaakten met onder meer Heleen de Jong en René van Helsdingen, die kort daarop deel gingen uitmaken van onze vaste bestuursploeg.

Maar alle begin is moeilijk. Ik herinner me nog het gedoe rond de redactie van het verenigingsblad, want dat moest er natuurlijk meteen komen. Er was een vrouw met veel initiatief, die wel de leiding op zich wou nemen. Heel prettig, denk je dan, als bestuur. Maar al gauw bleek dat het blad dat haar voor ogen stond a) luxe uitgevoerd moest worden en dus te duur werd, en b) inhoudelijk een eigen koers wou varen. Dat moest dus weer worden teruggedraaid. Besloten werd ons te beperken tot een blad van het bestuur met mededelingen voor de leden, waarbij er voor de secretaris niets anders opzat dan voorlopig maar zelf de redactie te gaan doen. Verder lag al de opzet gereed voor een jaarboek, waarvan Hans de Smit en Joop van Birgelen de eerste redacteuren werden. Dan had je nog het gedoe van de verzendingen. We hadden in het begin weinig geld, maar wel al die ruim honderd leden, die dus ook nog eens allemaal aangeschreven moesten worden. Ik herinner me een middag bij mij thuis dat Lolke Pepplink huizen en ik briefjes zaten te vouwen en in enveloppen te douwen. De adressen moesten we geloof ik eigenhandig schrijven - de computer stond toen nog in de kinderschoenen. Of later het eerste bulletin: Hans de Smit was inmiddels rector van het Edith Steincollege in den Haag geworden, en die had daar wel wat voorzieningen. Dat betekende dus ook weer een middag doe-het-zelven. Overigens was dat alles heel bevorderlijk voor de onderlinge contacten en voor een sfeer van: we doen het allemaal wel even zelf. Die hele praktische kant heeft later Hans Bienefelt op zich genomen. Hij had destijds bij boekhandel Donner onder meer de Jung-boeken onder zijn hoede, en heeft de vereniging ook veel goed gedaan met onder meer de verzorging van de interessante boekentafels tijdens werkweekends etc. Nog lastiger echter was een kwestie binnen het bestuur, die vrij onverwachts opdook, meteen al in het begin, en nog voordat Leo en ik de statuten van de vereniging bij de notaris hadden gedeponeerd. We hadden namelijk, via Leo, ook kennis gemaakt met Sonny Herman. Die bleek een zeer waardevolle aanwinst voor het bestuur, ook al omdat hij in zich de twee capaciteiten verenigde waarnaar wij specifiek op zoek waren: hij was immers psychotherapeut, opgeleid volgens de Nederlandse officiële eisen, en IAAP-therapeut. Als we Jung ook in de reguliere psychiatrie en psychologie wilden introduceren – en dat waren we van plan – dan waren een paar mensen binnen de vereniging, en liefst binnen het bestuur, met deze combinatie onmisbaar. Jammer genoeg echter bleek in het verlengde daarvan een lastige complicatie op te doemen. Leo bleek namelijk in leeranalyse bij Sonny Herman te zijn, wat - in navolging van de gebruiken binnen psychoanalytische kringen – volgens een meerderheid van het bestuur minder gewenst was voor zuivere verhoudingen binnen het bestuur. In onderling overleg met Leo is toen besloten dat Leo en Lolke voor de duur van Leo's analyse van plaats zouden wisselen. Dat was de reden dat het voorzitter schap van Leo maar kort heeft geduurd.

De onderlinge samenwerking gelukkig niet. De vereniging van Oost en West hield stand, en het was ook weer Leo die halverwege de jaren negentig samen met ons - Lolke, Joop en ik - bereid was de IVAP te helpen uit een impasse waarin zij ongelukkigerwijs was geraakt. Alweer bleek toen dat het nog het lastigste was een goede penningmeester te vinden. Uit arren moede heb ik dat toen maar zelf gedaan, naast het secretarisschap. In die tijd heb ik ook de volle betekenis geleerd van het gezegde dat je moet uitkijken met iets te wensen, want het zou wel eens kunnen uitkomen. Een wens van mij was inderdaad deze vereniging, waaraan ik persoonlijk ook heel veel te danken heb. Maar alles wat tot stand komt, wordt uiteindelijk een last, waarvan je dankbaar bent dat een ander haar op zich wil nemen. Het doet me nog steeds een groot plezier (van een afstand) te zien hoe goed het huidige bestuur (en de redactie van het bulletin en die van het jaarboek: Paul Revis en Jos van Meurs!) daar in slaagt.


Meer informatie over de achtergrond van de C.G. Jung Vereniging Nederland is te vinden in de volgende artikelen:

Begin van Pagina
Terug naar het begin van deze pagina